Wanneer kunnen we spreken van een goede samenwerking?

1186

Eerst en vooral moeten de neuzen in dezelfde richting staan. Een goede basishouding is het vertrekpunt van alles. Wat bedoelen we daarmee?

Een goede basishouding

De verenigingen moeten bereid zijn over de muurtjes van hun eigen werking te kijken en de gemeentelijke overheid moet de eigen dienst of het vertrouwde takenpakket durven overstijgen.

De lokale overheid en de verenigingen zien zichzelf dan ook niet als eilandjes die los van elkaar staan. Ze zoeken samen naar mogelijke samenwerkingen die voor een meerwaarde kunnen zorgen.

De organisaties en de gemeentelijke overheid vertrekken vanuit hun eigenheid. Beide groepen zijn erg verschillend: ze hebben andere doelstellingen, werken vanuit een andere logica, zijn anders gestructureerd, … Ze hebben, kortom, elk hun eigen identiteit.Die verscheidenheid vinden we ook bij de organisaties zelf. Ook hier komen we verenigingen van alle mogelijke geuren en kleuren tegen.

In het overleg wordt dit een sterkte. De lokale overheid treedt niet als concurrent van het verenigingsleven op. Vanuit ieders eigenheid zoekt men naar raakvlakken. Naar zaken die men op elkaar kan afstemmen, naar punten waarin de verenigingen en de overheid elkaar kunnen versterken. Naar win-win-situaties voor alle betrokkenen.

Het is belangrijk om op zoek te gaan naar gemeenschappelijke belangen, gezamenlijke punten die de lokale overheid samen met de verenigingen kan realiseren. Zowel tussen verenigingen en organisaties onderling, als tussen die organisaties en de gemeentelijke overheid.

Met alleen een goede basishouding spring je niet ver. Er moeten acties, activiteiten of diensten uit ontstaan. Zaken die concreet en zichtbaar zijn.
Ons onderzoek leert dat er vijf grote domeinen zijn waarop succesvolle samenwerking goed kan scoren.

Vijf kapstokken

1. GOEDE VERSTANDHOUDING

2. GOEDE BEGELEIDING

3. GOEDE SAMENWERKING TUSSEN VERENIGINGEN

4. GOEDE SAMENWERKING ROND ACTIVITEITEN

5. GOEDE FINANCIËLE EN MATERIËLE ONDERSTEUNING